Ouderen en slaap

Naarmate mensen ouder worden, hebben ze steeds meer moeite met slapen. Het effect van bepaalde medicijnen en van bepaalde aandoeningen is dat ouderen gemiddeld minder en minder goed slapen dan jongere volwassenen.


Dat ouderen minder behoefte aan slaap hebben is een fabeltje. Alles wijst erop dat ouderen net zo veel slaap nodig hebben als mensen van middelbare leeftijd, maar dat ze minder goed in staat zijn die slaap te genereren. Dat wordt bevestigd door grootschalige onderzoeken waaruit blijkt dat ouderen weliswaar minder slapen, maar wel zeggen dat ze meer slaap nodig hebben en ook proberen om evenveel te slapen als jongere volwassenen.

De belangrijkste veranderingen die zich voordoen zijn:

  • verminderde slaapkwantiteit en -kwaliteit,
  • verminderde slaap­efficiency en
  • verstoring van de slaapregelmaat.

Als je je veertigste bereikt, begint een merkbare vermindering van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de elektrische golven tijdens de non-remslaap. Je diepe slaap duurt minder lang en de hersengolven tijdens je diepe non-remslaap worden kleiner, zwakker en nemen in aantal af. Voor je vijftigste heeft de ouderdom je beroofd van 60 à 70 procent van de diepe slaap die je in je vroege tienerjaren sliep en tegen de tijd dat je de zeventig bereikt, ben je 80 tot 90 procent kwijt.

  1. Verminderde slaapkwantiteit -en kwaliteit

Veel ouderen realiseren zich niet goed hoezeer de kwantiteit en kwaliteit van hun diepe slaap is verminderd door het ouder worden. Dit is heel belangrijk: het betekent dat ze geen verband leggen tussen hun gezondheidstoestand en hun slaap, ondanks het feit dat de oorzakelijke verbanden tussen de twee al decennialang bij de wetenschap bekend zijn. Ouderen komen dus bij hun huisarts met gezondheidsklachten en vragen om een behandeling, maar ze vragen niet om hulp bij hun net zo ernstige slaapproblemen Naast de gezondheidsklachten is het belangrijk om ook de slaapproblemen van ouderen op te lossen.

Niet alle medische problemen die optreden bij het ouder worden zijn te wijten aan slecht slapen. Maar er zijn veel psychische en lichamelijke ouderdomsgerelateerde klachten die wel verband houden met slaapproblemen.  Oudere mensen die zich zorgen maken over hun slaap vragen beter eerst goed slaapadvies in plaats van slaappillen.

2. Verminderde slaapefficiëntie

Een tweede kenmerk van de veranderde slaap op latere leeftijd, een waar ouderen zich vaak wel van bewust zijn, is het gefragmenteerde karakter. Hoe ouder we worden, hoe vaker we ’s nachts wakker worden. Daar zijn veel redenen voor, waaronder medicatie en ziekte, maar de belangrijkste is een zwakke blaas: ouderen gaan ’s nachts vaker naar de wc. Een remedie is om ’s avonds minder te drinken. Een gevaarlijk gevolg van onderbroken nachtrust bij ouderen, zoals het nachtelijk bezoek aan de wc is het daarmee samenhangende risico op vallen en dus op botbreuken. Als we ’s nachts wakker worden, zijn we er vaak niet helemaal bij. Tel daarbij op dat het donker is …

Iedereen van wie de slaap chronisch wordt onderbroken, op welke leeftijd dan ook, krijgt op een gegeven moment lichamelijke en geestelijke klachten, een verminderde alertheid en geheugenproblemen. Het probleem bij ouderen is dat familieleden deze symptomen bij hun oude familieleden opmerken en denken dat ze door dementie worden veroorzaakt, maar over het hoofd zien dat het net zo goed kan komen door slecht of te weinig slapen. Niet alle dementie komt door slaapproblemen, maar onderbroken nachtrust op middelbare en latere leeftijd kan wel tot dementie leiden.

3. Verstoring van de slaapregelmaat

De derde verandering in de slaap op gevorderde leeftijd is die in het circadiaanse ritme. In tegenstelling tot pubers ervaren ouderen vaak een sterke vervroeging van de slaapcyclus. De oorzaak is dat de melatonine als mensen ouder worden eerder vrijkomt en piekt, waardoor ze ook vroeger naar bed zouden moeten gaan.

Maar ze willen vaak ’s avonds langer wakker blijven (tv, bezoek, lezen, …), maar vallen dan toch halverwege de avond in slaap op de bank. Dat lijkt onschuldig, maar het is wel degelijk problematisch. Het dutje in de vroege avond zorgt ervoor dat waardevolle slaapdruk wordt verspild. Wanneer de oudere dan een paar uur later naar bed gaat en probeert te slapen, is de kans groot dat de slaapdruk onvoldoende is om in slaap te vallen en om door te slapen als de slaap eenmaal gekomen is. Dan wordt er een onjuiste conclusie “slapeloosheid” getrokken.

Het indommelen op de avond, waarvan veel ouderen zich niet realiseren dat het gewoon slapen is, is dan de eigenlijke oorzaak van wat voor slapeloosheid wordt aangezien.

Het verouderingsproces leidt ertoe dat de zo belangrijke diepe slaap erg vermindert en verslechtert.

De hersendelen die het snelst aftakelen zijn dezelfde als waar de diepe slaap uit voortkomt. Een slecht geheugen en slecht slapen op latere leeftijd staan dus niet los van elkaar, maar zijn sterk aan elkaar gerelateerd.

Een slechte nachtrust is een van de meest ondergewaardeerde factoren bij het ontstaan van cognitieve en medische klachten bij ouderen, waaronder diabetes, depressie, chronische pijn, beroertes, hart- en vaatziekten en alzheimer. Dat ouderen dus minder slaap zouden nodig hebben is dus een fabeltje.

Bron: “Slaap” door Matthew Walker